In 1774 werd een nieuwe schouwburg geopend op het Leidseplein. Ook dit gebouw was geheel van hout. In de periode dat Napoleons soldaten door Amsterdam marcheerden veranderde de schouwburg meerdere malen van naam en was afwisselend Staats-, Hof- en Stadstheater. Om geluidsoverlast van paarden en koetsen op het plein te voorkomen werd de schouwburg in 1874 voorzien van een stenen buitenmuur. Ook werden de gevels verfraaid met beeldhouwwerken en kreeg het gebouw een streng classicistisch uiterlijk.
Ook deze schouwburg ging in vlammen op. Op 19 februari 1890 zorgde een groots vuurwerk op het Leidseplein voor een grandioos spektakel. Later die nacht veranderde de Schouwburg in een grote vuurzee. Waarschijnlijk was een smeulende voetzoeker de oorzaak van de brand.
Het huidige gebouw
De Koninklijke Vereeniging ’Het Nederlandsch Toneel’ nam direct het initiatief tot herbouw. De architecten A.L. van Gendt en J.L. en J.B. Springer ontwierpen een nieuwe schouwburg van steen. De oude classisistische gevels werden vervangen door een facade in neo-renaissancestijl. In 1894 werd Stadsschouwburg Amsterdam in zijn huidige vorm geopend. Meer informatie over de architectuur.
De Grote Zaal
De monumentale Grote Zaal is gebouwd in barok-stijl en rijkelijk versierd met beeldhouwwerken, ornamenten en kroonluchters. Op de rand van het eerste balkon staan de namen van grote toneelschrijvers. De zaal is gebouwd in de vorm van een hoefijzer, in de zogenaamde ‘hoftheaterstijl’. Er zijn 1200 zitplaatsen, waarvan er 900 in gebruik zijn.
Vroeger waren er geen zitplaatsen in de zaal. Het publiek 'leunde' tegen schotten die op de vloer waren aangebracht. Op het eerste balkon waren de loges, grotendeels aan het zicht onttrokken. In deze zogenaamde ’kamertjes' konden de heren van stand ongezien met hun maitresses van het spektakel op het podium konden genieten.
In het midden van het eerste balkon bevindt zich nog steeds de koninklijke loge. Naast een speciale loge was er ook een apart toilet voor de koninklijke familie. Koningin Wilhelmina vond al deze luxe overbodig: ze wilde een ‘normale’ toeschouwer zijn. Sindsdien zijn ook dit normale plaatsen en zijn de kronen, die op de balustrade ernaast stonden, verdwenen, evenals het koninklijk toilet.
Entrée
Oorspronkelijk had de Stadsschouwburg drie ingangen aan de voorzijde. De hoofdingang in het midden was uitsluitend voor het deftige publiek. Voor deze ingang bevindt zich een passage waar de koetsen vroeger onder konden rijden tot aan de deuren.
De beide andere ingangen bevonden zich links en rechts van de hoofdingang, waar nu respectievelijk de AUB Ticketshop en de Theatre Bookshop gevestigd zijn. Deze ingangen waren bestemd voor het minder rijke publiek en leidden naar het tweede en derde balkon, met uitsluitend houten stoelen en staanplaatsen. Om deze balkons te bereiken moest men 88 treden opklimmen.
Ook aan de Marnixstraat bevonden zich drie ingangen. Naast de nog steeds bestaande ‘artiesteningang’ was er een toegang tot de zogenaamde ‘Paardenbrug’, die gebruikt werd om paarden op het toneel te brengen, en een ’Koninklijke Ingang’ voor Koninklijk bezoek.
Rotonde
De hoofdingang leidt naar de Rotonde, een ronde hal met een fraaie spiegelwand die recht onder de zaal ligt. Na afloop van de voorstelling wachtte het deftige publiek hier tot hun naam door een suppoost werd omgeroepen ten teken dat hun koets was voorgereden.
Trappenhuizen en gangen
Bewerkte trappen met beschilderde wanden leiden naar de zaal. Op de trappen en in de gangen zijn schilderijen en beelden te zien van grote acteurs en actrices die in de schouwburg hebben opgetreden. Deze traditie om de ‘groten van het toneel’ te portetteren bestaat nog steeds. Er komen voortdurend nieuwe werken bij.
Foyers
Naast de zaal ligt de kleine foyer. Oorspronkelijk was dit de zogenaamde ‘rookfoyer’ voor mannelijke bezoekers. Op het bordes bevond zich een van genummerde vakjes voorzien rekje, waarop de heren hun nog niet opgerookte sigaar konden laten liggen tot na de voorstelling. De dames gingen meestal naar de grote foyer op het eerste balkon, met prachtig uitzicht over het Leidseplein.
Het publiek
Het gedrag van het theaterpubliek is behoorlijk veranderd sinds de vorige eeuw. Nu is het in het algemeen vrij rustig in de zaal. Vroeger was dit heel anders: de toeschouwers liepen in en uit, praatten, aten en dronken tijdens de voorstelling. Het publiek ging soms zo in het spel dat het vergat dat het slechts toneel was. Vaak bemoeide de toeschouwers zich ermee en riepen ze wat ze van een personage vonden. Vooral het publiek op het derde balkon, ook wel de ‘Engelenbak’ of het ‘Schellinkje’ genoemd, waren rumoerig. Een traliewerk moest verhinderen dat de spelers bekogeld werden en een politieagent was nodig om de orde te handhaven. Soms werden spelers zelfs buiten opgewacht en uitgescholden of beschimpt. terug >>